Nederlands [Veranderen]

Ash-Shu'ara, Koran recitatie door Maher Al Mueaqly

volgende
vorig
share on facebook  tweet  share on google  print  

Soera Ash-Shu'ara

Bismi Allahi alrrahmani alrraheemi

طسم ﴿١﴾
26/Ash-Shu'ara-1: Ta-seen-meem
Tha Sîn Mîm. (1)
تِلْكَ آيَاتُ الْكِتَابِ الْمُبِينِ ﴿٢﴾
26/Ash-Shu'ara-2: Tilka ayatu alkitabi almubeeni
Dit zijn Verzen van het duidelijke Boek. (2)
لَعَلَّكَ بَاخِعٌ نَّفْسَكَ أَلَّا يَكُونُوا مُؤْمِنِينَ ﴿٣﴾
26/Ash-Shu'ara-3: LaAAallaka bakhiAAun nafsaka alla yakoonoo mu/mineena
Misschien zou jij jezelf vernietigen van verdriet omdat zij geen gelovigen zijn. (3)
إِن نَّشَأْ نُنَزِّلْ عَلَيْهِم مِّن السَّمَاء آيَةً فَظَلَّتْ أَعْنَاقُهُمْ لَهَا خَاضِعِينَ ﴿٤﴾
26/Ash-Shu'ara-4: In nasha/ nunazzil AAalayhim mina alssama-i ayatan fathallat aAAnaquhum laha khadiAAeena
Als Wij het gewenst hadden, hadden Wij een Teken uit de hemel tot hen doen neerdalen, zodat hun nekken ervoor gebogen bleven. (4)
وَمَا يَأْتِيهِم مِّن ذِكْرٍ مِّنَ الرَّحْمَنِ مُحْدَثٍ إِلَّا كَانُوا عَنْهُ مُعْرِضِينَ ﴿٥﴾
26/Ash-Shu'ara-5: Wama ya/teehim min thikrin mina alrrahmani muhdathin illa kanoo AAanhu muAArideena
Er komt geen nieuwe Vemaning van de Erbarmer tot hen, of zij wenden zich eman af. (5)
فَقَدْ كَذَّبُوا فَسَيَأْتِيهِمْ أَنبَاء مَا كَانُوا بِهِ يَسْتَهْزِئُون ﴿٦﴾
26/Ash-Shu'ara-6: Faqad kaththaboo fasaya/teehim anbao ma kanoo bihi yastahzi-oona
Voorzeker, zij loochenden, maar berichten over wat zij plachten te bespotten zullen tot hen komen. (6)
أَوَلَمْ يَرَوْا إِلَى الْأَرْضِ كَمْ أَنبَتْنَا فِيهَا مِن كُلِّ زَوْجٍ كَرِيمٍ ﴿٧﴾
26/Ash-Shu'ara-7: Awa lam yaraw ila al-ardi kam anbatna feeha min kulli zawjin kareemin
Kijken zij dan aiet naar de aarde, hoeveel Wij er van allerlei rijke soorten grwassen op doen groeien? (7)
إِنَّ فِي ذَلِكَ لَآيَةً وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُم مُّؤْمِنِينَ ﴿٨﴾
26/Ash-Shu'ara-8: Inna fee thalika laayatan wama kana aktharuhum mu/mineena
Voorwaar, daarin is zeker een Teken, maar de meesten van hen zijn geen gelovigen. (8)
وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ الْعَزِيزُ الرَّحِيمُ ﴿٩﴾
26/Ash-Shu'ara-9: Wa-inna rabbaka lahuwa alAAazeezu alrraheemu
En voorwaar, jouw Heer: Hij is zeker de Almachtige, Meest Barmhartige. (9)
وَإِذْ نَادَى رَبُّكَ مُوسَى أَنِ ائْتِ الْقَوْمَ الظَّالِمِينَ ﴿١٠﴾
26/Ash-Shu'ara-10: Wa-ith nada rabbuka moosa ani i/ti alqawma alththalimeena
(Gedenk) toen jouw Heer Môesa opriep: "Ga naar het volk van de onrechtvaardigen. (10)
قَوْمَ فِرْعَوْنَ أَلَا يَتَّقُونَ ﴿١١﴾
26/Ash-Shu'ara-11: Qawma firAAawna ala yattaqoona
Het volk van Fir'aun, vrezen zij (Allah) niet? (11)
قَالَ رَبِّ إِنِّي أَخَافُ أَن يُكَذِّبُونِ ﴿١٢﴾
26/Ash-Shu'ara-12: Qala rabbi innee akhafu an yukaththibooni
Hij (Môesa) zei: "Mijn Heer, ik ben bang dat zij mij loochenen. (12)
وَيَضِيقُ صَدْرِي وَلَا يَنطَلِقُ لِسَانِي فَأَرْسِلْ إِلَى هَارُونَ ﴿١٣﴾
26/Ash-Shu'ara-13: Wayadeequ sadree wala yantaliqu lisanee faarsil ila haroona
En dat mijn borst zich zal vernauwen en dat ik niet vloeiend zal spreken, zend daarom (de Engel) naar Hârôen. (13)
وَلَهُمْ عَلَيَّ ذَنبٌ فَأَخَافُ أَن يَقْتُلُونِ ﴿١٤﴾
26/Ash-Shu'ara-14: Walahum AAalayya thanbun faakhafu an yaqtulooni
En zij hebben (een beschuldiging van) een misdaad tegen mij en ik ben bang dat zij mij zullen doden." (14)
قَالَ كَلَّا فَاذْهَبَا بِآيَاتِنَا إِنَّا مَعَكُم مُّسْتَمِعُونَ ﴿١٥﴾
26/Ash-Shu'ara-15: Qala kalla faithhaba bi-ayatina inna maAAakum mustamiAAoona
Hij (Allah) zei: "Nee, gaat dus beiden met Onze Tekenen: voorwaar, Wij zijn met jullie, luisterend. (15)
فَأْتِيَا فِرْعَوْنَ فَقُولَا إِنَّا رَسُولُ رَبِّ الْعَالَمِينَ ﴿١٦﴾
26/Ash-Shu'ara-16: Fa/tiya firAAawna faqoola inna rasoolu rabbi alAAalameena
Gaat daarom naar Fir'aun en zegt: "Voorwaar, wij zijn de Boodschappers van de Heer der Werelden. (16)
أَنْ أَرْسِلْ مَعَنَا بَنِي إِسْرَائِيلَ ﴿١٧﴾
26/Ash-Shu'ara-17: An arsil maAAana banee isra-eela
Zend de Kinderen van Israël met ons." (17)
قَالَ أَلَمْ نُرَبِّكَ فِينَا وَلِيدًا وَلَبِثْتَ فِينَا مِنْ عُمُرِكَ سِنِينَ ﴿١٨﴾
26/Ash-Shu'ara-18: Qala alam nurabbika feena waleedan walabithta feena min AAumurika sineena
Hij (Fir'aun) zei: "Hebben wij jou niet als een kind onder ons opgevoed en verbleef jij geen jaren van jouw leven onder ons? (18)
وَفَعَلْتَ فَعْلَتَكَ الَّتِي فَعَلْتَ وَأَنتَ مِنَ الْكَافِرِينَ ﴿١٩﴾
26/Ash-Shu'ara-19: WafaAAalta faAAlataka allatee faAAalta waanta mina alkafireena
En jij deed wat jij deed en jij behooft tot de ondankbaren." (19)
قَالَ فَعَلْتُهَا إِذًا وَأَنَا مِنَ الضَّالِّينَ ﴿٢٠﴾
26/Ash-Shu'ara-20: Qala faAAaltuha ithan waana mina alddalleena
Hij (Môesa) zei: "Ik heb dat gedaan toen ik tot de onnadenkenden behoorde. (20)
فَفَرَرْتُ مِنكُمْ لَمَّا خِفْتُكُمْ فَوَهَبَ لِي رَبِّي حُكْمًا وَجَعَلَنِي مِنَ الْمُرْسَلِينَ ﴿٢١﴾
26/Ash-Shu'ara-21: Fafarartu minkum lamma khiftukum fawahaba lee rabbee hukman wajaAAalanee mina almursaleena
Dus vluchtte ik weg toen ik bang voor jullie was. Daarop heeft mijn Heer aan mij Wijsheid ij gegeven en gemaakt dat ik tot de Boodschappers behoorde. (21)
وَتِلْكَ نِعْمَةٌ تَمُنُّهَا عَلَيَّ أَنْ عَبَّدتَّ بَنِي إِسْرَائِيلَ ﴿٢٢﴾
26/Ash-Shu'ara-22: Watilka niAAmatun tamunnuha AAalayya an AAabbadta banee isra-eela
En dit is de gunst die jij mij bewees: dat jij de Kinderen van Israël tot slaven gemaakt hebt." (22)
قَالَ فِرْعَوْنُ وَمَا رَبُّ الْعَالَمِينَ ﴿٢٣﴾
26/Ash-Shu'ara-23: Qala firAAawnu wama rabbu alAAalameena
Fiir'aun zei: "En wie is de Heer der Werelden?" (23)
قَالَ رَبُّ السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضِ وَمَا بَيْنَهُمَا إن كُنتُم مُّوقِنِينَ ﴿٢٤﴾
26/Ash-Shu'ara-24: Qala rabbu alssamawati waal-ardi wama baynahuma in kuntum mooqineena
Hij (Môesa) zei: "De Heer van de hemelen en de aarde en wat tussen hen beide is, als jullie er maar van overtuigd waren." (24)
قَالَ لِمَنْ حَوْلَهُ أَلَا تَسْتَمِعُونَ ﴿٢٥﴾
26/Ash-Shu'ara-25: Qala liman hawlahu ala tastamiAAoona
Hij (Fir'aun) zei tot hen die rondom hem waren: "Luisteren jullie niet?" (25)
قَالَ رَبُّكُمْ وَرَبُّ آبَائِكُمُ الْأَوَّلِينَ ﴿٢٦﴾
26/Ash-Shu'ara-26: Qala rabbukum warabbu aba-ikumu al-awwaleena
Hij (Môesa) zei: "Juitie Heer en de Heer van jullie voorvaderen." (26)
قَالَ إِنَّ رَسُولَكُمُ الَّذِي أُرْسِلَ إِلَيْكُمْ لَمَجْنُونٌ ﴿٢٧﴾
26/Ash-Shu'ara-27: Qala inna rasoolakumu allathee orsila ilaykum lamajnoonun
Hij (Fir'aun) zei: "Voorwaar, jullie Boodschapper die tot jullie gezonden is, is zeker bezeten." (27)
قَالَ رَبُّ الْمَشْرِقِ وَالْمَغْرِبِ وَمَا بَيْنَهُمَا إِن كُنتُمْ تَعْقِلُونَ ﴿٢٨﴾
26/Ash-Shu'ara-28: Qala rabbu almashriqi waalmaghribi wama baynahuma in kuntum taAAqiloona
Hij (Môesa) zei: "De Heer van het Oosten en het Westen en wat tussen hen beide is, als jullie begrijpen." (28)
قَالَ لَئِنِ اتَّخَذْتَ إِلَهًا غَيْرِي لَأَجْعَلَنَّكَ مِنَ الْمَسْجُونِينَ ﴿٢٩﴾
26/Ash-Shu'ara-29: Qala la-ini ittakhathta ilahan ghayree laajAAalannaka mina almasjooneena
Hij (Fir'aun) zei: "Als jij een andere god dan mij hebt aangenomen, dan zal ik jou zeker tot een van de gevangenen maken." (29)
قَالَ أَوَلَوْ جِئْتُكَ بِشَيْءٍ مُّبِينٍ ﴿٣٠﴾
26/Ash-Shu'ara-30: Qala awa law ji/tuka bishay-in mubeenin
Hij (Môesa) zei: "Zelfs als ik jou iets duidelijks kan laten zien?" (30)
قَالَ فَأْتِ بِهِ إِن كُنتَ مِنَ الصَّادِقِينَ ﴿٣١﴾
26/Ash-Shu'ara-31: Qala fa/ti bihi in kunta mina alssadiqeena
Hij (Fir'aun) zei: "Breng het maar, als jij tot de waarachtigen behoort." (31)
فَأَلْقَى عَصَاهُ فَإِذَا هِيَ ثُعْبَانٌ مُّبِينٌ ﴿٣٢﴾
26/Ash-Shu'ara-32: Faalqa AAasahu fa-itha hiya thuAAbanun mubeenun
Toen wierp hij zijn staf neer en daarop werd het een duidelijke slang. (32)
وَنَزَعَ يَدَهُ فَإِذَا هِيَ بَيْضَاء لِلنَّاظِرِينَ ﴿٣٣﴾
26/Ash-Shu'ara-33: WanazaAAa yadahu fa-itha hiya baydao lilnnathireena
En hij strekte zijn hand uit en die werd wit voor de toeschouwers. (33)
قَالَ لِلْمَلَإِ حَوْلَهُ إِنَّ هَذَا لَسَاحِرٌ عَلِيمٌ ﴿٣٤﴾
26/Ash-Shu'ara-34: Qala lilmala-i hawlahu inna hatha lasahirun AAaleemun
Hij (Fir'aun) zei tegen de vooraanstaanden rondom hem: "Voorwaar, dit is zeker een bekwame tovenaar. (34)
يُرِيدُ أَن يُخْرِجَكُم مِّنْ أَرْضِكُم بِسِحْرِهِ فَمَاذَا تَأْمُرُونَ ﴿٣٥﴾
26/Ash-Shu'ara-35: Yureedu an yukhrijakum min ardikum bisihrihi famatha ta/muroona
Hij wil jullie uit jullie land verdrijven met zijn tovenarij. Dus wat adviseren jullie?" (35)
قَالُوا أَرْجِهِ وَأَخَاهُ وَابْعَثْ فِي الْمَدَائِنِ حَاشِرِينَ ﴿٣٦﴾
26/Ash-Shu'ara-36: Qaloo arjih waakhahu waibAAath fee almada-ini hashireena
Zij zeiden: "Stel (de zaak van) hem en zijn broeder uit en stuur bijeenroepers naar de steden. (36)
يَأْتُوكَ بِكُلِّ سَحَّارٍ عَلِيمٍ ﴿٣٧﴾
26/Ash-Shu'ara-37: Ya/tooka bikulli sahharin AAaleemin
Zij zullen elke bekwame tovenaar bij jou brengen. (37)
فَجُمِعَ السَّحَرَةُ لِمِيقَاتِ يَوْمٍ مَّعْلُومٍ ﴿٣٨﴾
26/Ash-Shu'ara-38: FajumiAAa alssaharatu limeeqati yawmin maAAloomin
Zo werden de tovenaars verzameld op een afgesprokem lijd op een aangewezen dag. (38)
وَقِيلَ لِلنَّاسِ هَلْ أَنتُم مُّجْتَمِعُونَ ﴿٣٩﴾
26/Ash-Shu'ara-39: Waqeela lilnnasi hal antum mujtamiAAoona
En tot de mensen werd gezegd: "Zijn jullie nu bijeengekomen? (39)
لَعَلَّنَا نَتَّبِعُ السَّحَرَةَ إِن كَانُوا هُمُ الْغَالِبِينَ ﴿٤٠﴾
26/Ash-Shu'ara-40: LaAAallana nattabiAAu alssaharata in kanoo humu alghalibeena
Moge wij de tovenaars volgen als zij de overwinnaars zijn." (40)
فَلَمَّا جَاء السَّحَرَةُ قَالُوا لِفِرْعَوْنَ أَئِنَّ لَنَا لَأَجْرًا إِن كُنَّا نَحْنُ الْغَالِبِينَ ﴿٤١﴾
26/Ash-Shu'ara-41: Falamma jaa alssaharatu qaloo lifirAAawna a-inna lana laajran in kunna nahnu alghalibeena
Toen de tovenaars kwamen, zeiden zij tot Fir'aun: "Krijgen we zeker een beloning, als wij de overwinnaars zijn?" (41)
قَالَ نَعَمْ وَإِنَّكُمْ إِذًا لَّمِنَ الْمُقَرَّبِينَ ﴿٤٢﴾
26/Ash-Shu'ara-42: Qala naAAam wa-innakum ithan lamina almuqarrabeena
Hij zei: "Ja, jullie zullen dan tot de (mij) nabijen behoren." (42)
قَالَ لَهُم مُّوسَى أَلْقُوا مَا أَنتُم مُّلْقُونَ ﴿٤٣﴾
26/Ash-Shu'ara-43: Qala lahum moosa alqoo ma antum mulqoona
Môesa zei tot hen: "Werpt maar wat jullie te werpen hebben." (43)
فَأَلْقَوْا حِبَالَهُمْ وَعِصِيَّهُمْ وَقَالُوا بِعِزَّةِ فِرْعَوْنَ إِنَّا لَنَحْنُ الْغَالِبُونَ ﴿٤٤﴾
26/Ash-Shu'ara-44: Faalqaw hibalahum waAAisiyyahum waqaloo biAAizzati firAAawna inna lanahnu alghaliboona
Toen wierpen zij hun touwen en staven neer, terwijl zij zeiden: "Bij de eer van Fir'aun: voorwaar, wij zullen zeker de overwinnaars zijn." (44)
فَأَلْقَى مُوسَى عَصَاهُ فَإِذَا هِيَ تَلْقَفُ مَا يَأْفِكُونَ ﴿٤٥﴾
26/Ash-Shu'ara-45: Faalqa moosa AAasahu fa-itha hiya talqafu ma ya/fikoona
Toen wierp Môesa zijn staf neer, en toen verslond zij wat zij met hun bedrog hadden gemaakt. (45)
فَأُلْقِيَ السَّحَرَةُ سَاجِدِينَ ﴿٤٦﴾
26/Ash-Shu'ara-46: Faolqiya alssaharatu sajideena
Toen wierpen de tovenaan zich neer, knielend. (46)
قَالُوا آمَنَّا بِرَبِّ الْعَالَمِينَ ﴿٤٧﴾
26/Ash-Shu'ara-47: Qaloo amanna birabbi alAAalameena
Zij zeiden: "Wij geloven in de Heer der Werelden. (47)
رَبِّ مُوسَى وَهَارُونَ ﴿٤٨﴾
26/Ash-Shu'ara-48: Rabbi moosa waharoona
De Heer van Môesa en Hârôen." (48)
قَالَ آمَنتُمْ لَهُ قَبْلَ أَنْ آذَنَ لَكُمْ إِنَّهُ لَكَبِيرُكُمُ الَّذِي عَلَّمَكُمُ السِّحْرَ فَلَسَوْفَ تَعْلَمُونَ لَأُقَطِّعَنَّ أَيْدِيَكُمْ وَأَرْجُلَكُم مِّنْ خِلَافٍ وَلَأُصَلِّبَنَّكُمْ أَجْمَعِينَ ﴿٤٩﴾
26/Ash-Shu'ara-49: Qala amantum lahu qabla an athana lakum innahu lakabeerukumu allathee AAallamakumu alssihra falasawfa taAAlamoona laoqattiAAanna aydiyakum waarjulakum min khilafin walaosallibannakum ajmaAAeena
Hij (Fir'aun) zei: "Geloven jullie hem voordat ik jullie toestemming geef? Voorwaar, hij is zeker jullie meerdere die jullie de tovenarij onderwees. En spoedig zullen jullie het weten: ik zal jullie handen en jullie voeten aan tegenovergestelde kanten afhakken en ik zal jullie allen kruisigen." (49)
قَالُوا لَا ضَيْرَ إِنَّا إِلَى رَبِّنَا مُنقَلِبُونَ ﴿٥٠﴾
26/Ash-Shu'ara-50: Qaloo la dayra inna ila rabbina munqaliboona
Zij (de tovenaars) zeiden: "Het deert (ons) niet. Voorwaar, wij zullen naar onze Heer terugkeren. (50)
إِنَّا نَطْمَعُ أَن يَغْفِرَ لَنَا رَبُّنَا خَطَايَانَا أَن كُنَّا أَوَّلَ الْمُؤْمِنِينَ ﴿٥١﴾
26/Ash-Shu'ara-51: Inna natmaAAu an yaghfira lana rabbuna khatayana an kunna awwala almu/mineena
Voorwaar, wij verlangen dat Hij onze fouten vergeeft, omdat wij de eersten van de gelovigen zijn." (51)
وَأَوْحَيْنَا إِلَى مُوسَى أَنْ أَسْرِ بِعِبَادِي إِنَّكُم مُّتَّبَعُونَ ﴿٥٢﴾
26/Ash-Shu'ara-52: Waawhayna ila moosa an asri biAAibadee innakum muttabaAAoona
En wij openbaarden aan Môesa: "Reis in de nacht met Mijn dienaren: voorwaar, jullie zullen achtervolgd worden." (52)
فَأَرْسَلَ فِرْعَوْنُ فِي الْمَدَائِنِ حَاشِرِينَ ﴿٥٣﴾
26/Ash-Shu'ara-53: Faarsala firAAawnu fee almada-ini hashireena
Toen stuurde Fir'aun bijeenroepers de steden in. (53)
إِنَّ هَؤُلَاء لَشِرْذِمَةٌ قَلِيلُونَ ﴿٥٤﴾
26/Ash-Shu'ara-54: Inna haola-i lashirthimatun qaleeloona
"Diegenen zijn zeker een kleine groep. (54)
وَإِنَّهُمْ لَنَا لَغَائِظُونَ ﴿٥٥﴾
26/Ash-Shu'ara-55: Wa-innahum lana lagha-ithoona
En voorwaar, zij hebben ons woedend gemaakt. (55)
وَإِنَّا لَجَمِيعٌ حَاذِرُونَ ﴿٥٦﴾
26/Ash-Shu'ara-56: Wa-inna lajameeAAun hathiroona
En voorwaar, wij zijn zeker allen voorzichtig." (56)
فَأَخْرَجْنَاهُم مِّن جَنَّاتٍ وَعُيُونٍ ﴿٥٧﴾
26/Ash-Shu'ara-57: Faakhrajnahum min jannatin waAAuyoonin
Toen verdreven Wij hen van de tuinen en bronnen. (57)
وَكُنُوزٍ وَمَقَامٍ كَرِيمٍ ﴿٥٨﴾
26/Ash-Shu'ara-58: Wakunoozin wamaqamin kareemin
En de schatten en eervolle plaatsen. (58)
كَذَلِكَ وَأَوْرَثْنَاهَا بَنِي إِسْرَائِيلَ ﴿٥٩﴾
26/Ash-Shu'ara-59: Kathalika waawrathnaha banee isra-eela
Zo was het; en Wij deden de Kinderen van Israël het erven. (59)
فَأَتْبَعُوهُم مُّشْرِقِينَ ﴿٦٠﴾
26/Ash-Shu'ara-60: FaatbaAAoohum mushriqeena
Toen achtervolgden zij hen bij zonsopgang. (60)
فَلَمَّا تَرَاءى الْجَمْعَانِ قَالَ أَصْحَابُ مُوسَى إِنَّا لَمُدْرَكُونَ ﴿٦١﴾
26/Ash-Shu'ara-61: Falamma taraa aljamAAani qala as-habu moosa inna lamudrakoona
En toen de twee groepen elkaar zagen, zeiden de metgezellen van Môesa: "Voorwaar, wij worden zeker bereikt!" (61)
قَالَ كَلَّا إِنَّ مَعِيَ رَبِّي سَيَهْدِينِ ﴿٦٢﴾
26/Ash-Shu'ara-62: Qala kalla inna maAAiya rabbee sayahdeeni
Hij (Môesa) zei: "Zeker niet voorwaar, mijn Heer is met mij, Hij zal mij lieden." (62)
فَأَوْحَيْنَا إِلَى مُوسَى أَنِ اضْرِب بِّعَصَاكَ الْبَحْرَ فَانفَلَقَ فَكَانَ كُلُّ فِرْقٍ كَالطَّوْدِ الْعَظِيمِ ﴿٦٣﴾
26/Ash-Shu'ara-63: Faawhayna ila moosa ani idrib biAAasaka albahra fainfalaqa fakana kullu firqin kaalttawdi alAAatheemi
Toen openbaarden Wij aan Môesa: "Sla de zee met jouw staf." Toen spleet de zee en elk gedeelte was als een geweldige berg. (63)
وَأَزْلَفْنَا ثَمَّ الْآخَرِينَ ﴿٦٤﴾
26/Ash-Shu'ara-64: Waazlafna thamma al-akhareena
En Wij deden de anderen daar dichtbij komen. (64)
وَأَنجَيْنَا مُوسَى وَمَن مَّعَهُ أَجْمَعِينَ ﴿٦٥﴾
26/Ash-Shu'ara-65: Waanjayna moosa waman maAAahu ajmaAAeena
En wij redden Môesa en allen die bij hem waren. (65)
ثُمَّ أَغْرَقْنَا الْآخَرِينَ ﴿٦٦﴾
26/Ash-Shu'ara-66: Thumma aghraqna al-akhareena
Vervolgens verdronken Wij de anderen. (66)
إِنَّ فِي ذَلِكَ لَآيَةً وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُم مُّؤْمِنِينَ ﴿٦٧﴾
26/Ash-Shu'ara-67: Inna fee thalika laayatan wama kana aktharuhum mu/mineena
Voorwaar, daarin is zeker een Teken, maar de meesten van hen zijn geen gelovigen. (67)
وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ الْعَزِيزُ الرَّحِيمُ ﴿٦٨﴾
26/Ash-Shu'ara-68: Wa-inna rabbaka lahuwa alAAazeezu alrraheemu
En voorwaar, jouw Heer (O Moehammad) is zeker Hij, de Almachtige, de Meest Barmhartige. (68)
وَاتْلُ عَلَيْهِمْ نَبَأَ إِبْرَاهِيمَ ﴿٦٩﴾
26/Ash-Shu'ara-69: Waotlu AAalayhim nabaa ibraheema
En lees hun de geschiedenis van Ibrâhîm voor. (69)
إِذْ قَالَ لِأَبِيهِ وَقَوْمِهِ مَا تَعْبُدُونَ ﴿٧٠﴾
26/Ash-Shu'ara-70: Ith qala li-abeehi waqawmihi ma taAAbudoona
(Gedenk) toen hij tot zijn vader en zijn volk zei: "Wat aanbidden jullie?" (70)
قَالُوا نَعْبُدُ أَصْنَامًا فَنَظَلُّ لَهَا عَاكِفِينَ ﴿٧١﴾
26/Ash-Shu'ara-71: Qaloo naAAbudu asnaman fanathallu laha AAakifeena
Zij zeiden: "Wij aanbidden afgoden en wij zullen hen blijven aanbidden." (71)
قَالَ هَلْ يَسْمَعُونَكُمْ إِذْ تَدْعُونَ ﴿٧٢﴾
26/Ash-Shu'ara-72: Qala hal yasmaAAoonakum ith tadAAoona
Hij (Ibrâhîm) zei: "Horen zij jullie, wanneer jullie hen aanroepen? (72)
أَوْ يَنفَعُونَكُمْ أَوْ يَضُرُّونَ ﴿٧٣﴾
26/Ash-Shu'ara-73: Aw yanfaAAoonakum aw yadurroona
Of brengen zij jullie voordeel of berokkenen zij jullie nadeel? (73)
قَالُوا بَلْ وَجَدْنَا آبَاءنَا كَذَلِكَ يَفْعَلُونَ ﴿٧٤﴾
26/Ash-Shu'ara-74: Qaloo bal wajadna abaana kathalika yafAAaloona
Zij zeiden. "Wij vonden dat zelfs onze vaderen zo deden." (74)
قَالَ أَفَرَأَيْتُم مَّا كُنتُمْ تَعْبُدُونَ ﴿٧٥﴾
26/Ash-Shu'ara-75: Qala afaraaytum ma kuntum taAAbudoona
Hij (Ibrâhîm) zei: "Hebben jullie dain gezien wat jullie plegen te aanbidden? (75)
أَنتُمْ وَآبَاؤُكُمُ الْأَقْدَمُونَ ﴿٧٦﴾
26/Ash-Shu'ara-76: Antum waabaokumu al-aqdamoona
Jullie en jullie vaderen die voorafgingen? (76)
فَإِنَّهُمْ عَدُوٌّ لِّي إِلَّا رَبَّ الْعَالَمِينَ ﴿٧٧﴾
26/Ash-Shu'ara-77: Fa-innahum AAaduwwun lee illa rabba alAAalameena
Voorwaar, zij zijn een vijand voor mij, (ik aanbid niemand) behalve de Heer der Werelden. (77)
الَّذِي خَلَقَنِي فَهُوَ يَهْدِينِ ﴿٧٨﴾
26/Ash-Shu'ara-78: Allathee khalaqanee fahuwa yahdeeni
Degene Die mij geschapen heeft, Hij leidt mij. (78)
وَالَّذِي هُوَ يُطْعِمُنِي وَيَسْقِينِ ﴿٧٩﴾
26/Ash-Shu'ara-79: Waallathee huwa yutAAimunee wayasqeeni
En Hij is Degene Die mij voedt en Die mij te drinken geeft. (79)
وَإِذَا مَرِضْتُ فَهُوَ يَشْفِينِ ﴿٨٠﴾
26/Ash-Shu'ara-80: Wa-itha maridtu fahuwa yashfeeni
En wanneer ik ziek ben, is Hij het Die mij geneest. (80)
وَالَّذِي يُمِيتُنِي ثُمَّ يُحْيِينِ ﴿٨١﴾
26/Ash-Shu'ara-81: Waallathee yumeetunee thumma yuhyeeni
Degene Die mij doet sterven en mi vervolgens doet leven. (81)
وَالَّذِي أَطْمَعُ أَن يَغْفِرَ لِي خَطِيئَتِي يَوْمَ الدِّينِ ﴿٨٢﴾
26/Ash-Shu'ara-82: Waallathee atmaAAu an yaghfira lee khatee-atee yawma alddeeni
En Degene van Wie ik hevig verlang dat Hij mijn zonden zal vergeven op de Dag des Oordeels. (82)
رَبِّ هَبْ لِي حُكْمًا وَأَلْحِقْنِي بِالصَّالِحِينَ ﴿٨٣﴾
26/Ash-Shu'ara-83: Rabbi hab lee hukman waalhiqnee bialssaliheena
Mijn Heer, schenk mij wijsheid en verenig mij met de rechtschapenen. (83)
وَاجْعَل لِّي لِسَانَ صِدْقٍ فِي الْآخِرِينَ ﴿٨٤﴾
26/Ash-Shu'ara-84: WaijAAal lee lisana sidqin fee al-akhireena
En maak mijn naam vermaard onder de lateren. (84)
وَاجْعَلْنِي مِن وَرَثَةِ جَنَّةِ النَّعِيمِ ﴿٨٥﴾
26/Ash-Shu'ara-85: WaijAAalnee min warathati jannati alnnaAAeemi
En maak mij één van de erfgenamen van de Tuin van de gelukzaligheid (het Paradijs). (85)
وَاغْفِرْ لِأَبِي إِنَّهُ كَانَ مِنَ الضَّالِّينَ ﴿٨٦﴾
26/Ash-Shu'ara-86: Waighfir li-abee innahu kana mina alddalleena
En vergeef mijn vader, waal bij behoorde tot de dwalenden. (86)
وَلَا تُخْزِنِي يَوْمَ يُبْعَثُونَ ﴿٨٧﴾
26/Ash-Shu'ara-87: Wala tukhzinee yawma yubAAathoona
En verneder mij niet op de Dag waarop er wordt opgewekt. (87)
يَوْمَ لَا يَنفَعُ مَالٌ وَلَا بَنُونَ ﴿٨٨﴾
26/Ash-Shu'ara-88: Yawma la yanfaAAu malun wala banoona
Op de Dag, waarop rijkdom en zonen niet zullen baten. (88)
إِلَّا مَنْ أَتَى اللَّهَ بِقَلْبٍ سَلِيمٍ ﴿٨٩﴾
26/Ash-Shu'ara-89: Illa man ata Allaha biqalbin saleemin
Alleen bij (zal gebaat zijn), die naar Allah komt met een zuiver hart (89)
وَأُزْلِفَتِ الْجَنَّةُ لِلْمُتَّقِينَ ﴿٩٠﴾
26/Ash-Shu'ara-90: Waozlifati aljannatu lilmuttaqeena
En de Tuin wordt dichtbij de Moettaqôen gebracht. (90)
وَبُرِّزَتِ الْجَحِيمُ لِلْغَاوِينَ ﴿٩١﴾
26/Ash-Shu'ara-91: Waburrizati aljaheemu lilghaweena
En Djahîm (de Hel) wordt tentoongesteld aan de dwalenden. (91)
وَقِيلَ لَهُمْ أَيْنَ مَا كُنتُمْ تَعْبُدُونَ ﴿٩٢﴾
26/Ash-Shu'ara-92: Waqeela lahum ayna ma kuntum taAAbudoona
En tot hen wordt gezegd: "Waar is het, wat jullie plachten te aanbidden? (92)
مِن دُونِ اللَّهِ هَلْ يَنصُرُونَكُمْ أَوْ يَنتَصِرُونَ ﴿٩٣﴾
26/Ash-Shu'ara-93: Min dooni Allahi hal yansuroonakum aw yantasiroona
Naast Allah? Kunnen zij jullie helpen of zichzelf helpen? (93)
فَكُبْكِبُوا فِيهَا هُمْ وَالْغَاوُونَ ﴿٩٤﴾
26/Ash-Shu'ara-94: Fakubkiboo feeha hum waalghawoona
Dan worden zij hals over kop daarin geslingerd, zij en de dwalenden. (94)
وَجُنُودُ إِبْلِيسَ أَجْمَعُونَ ﴿٩٥﴾
26/Ash-Shu'ara-95: Wajunoodu ibleesa ajmaAAoona
En de troepen van Iblîs (de Satan), allemaal. (95)
قَالُوا وَهُمْ فِيهَا يَخْتَصِمُونَ ﴿٩٦﴾
26/Ash-Shu'ara-96: Qaloo wahum feeha yakhtasimoona
Zij zeggen, terwijl zij met elkaar redetwisten: (96)
تَاللَّهِ إِن كُنَّا لَفِي ضَلَالٍ مُّبِينٍ ﴿٩٧﴾
26/Ash-Shu'ara-97: TaAllahi in kunna lafee dalalin mubeenin
"Bij Allah, wij verkeerden zeker in een duidelijke dwaling. (97)
إِذْ نُسَوِّيكُم بِرَبِّ الْعَالَمِينَ ﴿٩٨﴾
26/Ash-Shu'ara-98: Ith nusawweekum birabbi alAAalameena
Dat wij jullie (de afgoden) gelijkstelden met de Heer der Werelden. (98)
وَمَا أَضَلَّنَا إِلَّا الْمُجْرِمُونَ ﴿٩٩﴾
26/Ash-Shu'ara-99: Wama adallana illa almujrimoona
En alleen de misdadigers hebben ons doen afdwalen. (99)
فَمَا لَنَا مِن شَافِعِينَ ﴿١٠٠﴾
26/Ash-Shu'ara-100: Fama lana min shafiAAeena
En wij hebben geen voorsprekers, (100)
وَلَا صَدِيقٍ حَمِيمٍ ﴿١٠١﴾
26/Ash-Shu'ara-101: Wala sadeeqin hameemin
En geen boezemvriend. (101)
فَلَوْ أَنَّ لَنَا كَرَّةً فَنَكُونَ مِنَ الْمُؤْمِنِينَ ﴿١٠٢﴾
26/Ash-Shu'ara-102: Falaw anna lana karratan fanakoona mina almu/mineena
Was er voor ons maar een weg terug, dan zouden wij tot de gelovigen behoren." (102)
إِنَّ فِي ذَلِكَ لَآيَةً وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُم مُّؤْمِنِينَ ﴿١٠٣﴾
26/Ash-Shu'ara-103: Inna fee thalika laayatan wama kana aktharuhum mu/mineena
Voorwaar, daarin is zeker een Teken, maar de meesten van hen zijn ongelovigen. (103)
وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ الْعَزِيزُ الرَّحِيمُ ﴿١٠٤﴾
26/Ash-Shu'ara-104: Wa-inna rabbaka lahuwa alAAazeezu alrraheemu
En voorwaar, jouw Heer (O Moehammad) is zeker Hij, de Almachtige, de Meest Barmhartige. (104)
كَذَّبَتْ قَوْمُ نُوحٍ الْمُرْسَلِينَ ﴿١٠٥﴾
26/Ash-Shu'ara-105: Kaththabat qawmu noohin almursaleena
Het volk van Nôeh loochende de Boodschappers. (105)
إِذْ قَالَ لَهُمْ أَخُوهُمْ نُوحٌ أَلَا تَتَّقُونَ ﴿١٠٦﴾
26/Ash-Shu'ara-106: Ith qala lahum akhoohum noohun ala tattaqoona
(Gedenk) toen hun broeder Nôeh tot hen zei: "Vrezen jullie (Allah) niet? (106)
إِنِّي لَكُمْ رَسُولٌ أَمِينٌ ﴿١٠٧﴾
26/Ash-Shu'ara-107: Innee lakum rasoolun ameenun
Voorwaar, ik ben voor jullie een betrouwbare Boodschapper. (107)
فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطِيعُونِ ﴿١٠٨﴾
26/Ash-Shu'ara-108: Faittaqoo Allaha waateeAAooni
Vreest daarom Allah en gehoorzaamt mij. (108)
وَمَا أَسْأَلُكُمْ عَلَيْهِ مِنْ أَجْرٍ إِنْ أَجْرِيَ إِلَّا عَلَى رَبِّ الْعَالَمِينَ ﴿١٠٩﴾
26/Ash-Shu'ara-109: Wama as-alukum AAalayhi min ajrin in ajriya illa AAala rabbi alAAalameena
Ik vraag jullie er geen beloning voor, mijn beloning berust alleen bij de Heer der Werelden. (109)
فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطِيعُونِ ﴿١١٠﴾
26/Ash-Shu'ara-110: Faittaqoo Allaha waateeAAooni
Vreest daarom Allah en gehoorzaamt mij. (110)
قَالُوا أَنُؤْمِنُ لَكَ وَاتَّبَعَكَ الْأَرْذَلُونَ ﴿١١١﴾
26/Ash-Shu'ara-111: Qaloo anu/minu laka waittabaAAaka al-arthaloona
Zij zeiden: "Zouden wij jou volgen, terwijl de meest nederigen jou volgen?" (111)
قَالَ وَمَا عِلْمِي بِمَا كَانُوا يَعْمَلُونَ ﴿١١٢﴾
26/Ash-Shu'ara-112: Qala wama AAilmee bima kanoo yaAAmaloona
Hij (Nôeh) zei: "En ik heb geen kennis over wat zij deden. (112)
إِنْ حِسَابُهُمْ إِلَّا عَلَى رَبِّي لَوْ تَشْعُرُونَ ﴿١١٣﴾
26/Ash-Shu'ara-113: In hisabuhum illa AAala rabbee law tashAAuroona
Hun afrekening is slechts bij mijn Heer, als jullie het maar zouden beseffen. (113)
وَمَا أَنَا بِطَارِدِ الْمُؤْمِنِينَ ﴿١١٤﴾
26/Ash-Shu'ara-114: Wama ana bitaridi almu/mineena
Ik zal de gelovigen zeker niet wegjagen. (114)
إِنْ أَنَا إِلَّا نَذِيرٌ مُّبِينٌ ﴿١١٥﴾
26/Ash-Shu'ara-115: In ana illa natheerun mubeenun
Ik ben slechts een duidelijke waarschuwer." (115)
قَالُوا لَئِن لَّمْ تَنتَهِ يَا نُوحُ لَتَكُونَنَّ مِنَ الْمَرْجُومِينَ ﴿١١٦﴾
26/Ash-Shu'ara-116: Qaloo la-in lam tantahi ya noohu latakoonanna mina almarjoomeena
Zij zeiden: "Als jij er niet mee ophoudt, O Nôeh, dan behoor jij tot degenen die gestenigd worden!" (116)
قَالَ رَبِّ إِنَّ قَوْمِي كَذَّبُونِ ﴿١١٧﴾
26/Ash-Shu'ara-117: Qala rabbi inna qawmee kaththabooni
Hij (Nôeh) zei: "Mijn Heer, voorwaar mijn volk loochent mij. (117)
فَافْتَحْ بَيْنِي وَبَيْنَهُمْ فَتْحًا وَنَجِّنِي وَمَن مَّعِي مِنَ الْمُؤْمِنِينَ ﴿١١٨﴾
26/Ash-Shu'ara-118: Faiftah baynee wabaynahum fathan wanajjinee waman maAAiya mina almu/mineena
Spreek daarom een oordeel uit tussen mij en hen. En red mij en de gelovigen die met mij zijn." (118)
فَأَنجَيْنَاهُ وَمَن مَّعَهُ فِي الْفُلْكِ الْمَشْحُونِ ﴿١١٩﴾
26/Ash-Shu'ara-119: Faanjaynahu waman maAAahu fee alfulki almashhooni
Toen redden Wij hem en degenen die met hem in het beladen schip waren. (119)
ثُمَّ أَغْرَقْنَا بَعْدُ الْبَاقِينَ ﴿١٢٠﴾
26/Ash-Shu'ara-120: Thumma aghraqna baAAdu albaqeena
En vervolgens verdronken Wij degenen die achterbleven (in de zondvloed). (120)
إِنَّ فِي ذَلِكَ لَآيَةً وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُم مُّؤْمِنِينَ ﴿١٢١﴾
26/Ash-Shu'ara-121: Inna fee thalika laayatan wama kana aktharuhum mu/mineena
Voorwaar, daarin is zeker een Teken, maar de meesten van hen zijn geen gelovigen. (121)
وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ الْعَزِيزُ الرَّحِيمُ ﴿١٢٢﴾
26/Ash-Shu'ara-122: Wa-inna rabbaka lahuwa alAAazeezu alrraheemu
En voorwaar, jouw Heer (O Moehammad) is zeker Hij, de Almachtige, de Meest Barmhartige. (122)
كَذَّبَتْ عَادٌ الْمُرْسَلِينَ ﴿١٢٣﴾
26/Ash-Shu'ara-123: Kaththabat AAadun almursaleena
Het volk van de 'Âd loochende de Boodschappers. (123)
إِذْ قَالَ لَهُمْ أَخُوهُمْ هُودٌ أَلَا تَتَّقُونَ ﴿١٢٤﴾
26/Ash-Shu'ara-124: Ith qala lahum akhoohum hoodun ala tattaqoona
(Gedenk) toen hun broeder Hôed tot hen zei: "Vrezen jullie Allah niet? (124)
إِنِّي لَكُمْ رَسُولٌ أَمِينٌ ﴿١٢٥﴾
26/Ash-Shu'ara-125: Innee lakum rasoolun ameenun
Voorwaar, ik ben voor jullie een betrouwbare Boodschapper. (125)
فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطِيعُونِ ﴿١٢٦﴾
26/Ash-Shu'ara-126: Faittaqoo Allaha waateeAAooni
Vreest daarom Allah en gehoorzaamt mij. (126)
وَمَا أَسْأَلُكُمْ عَلَيْهِ مِنْ أَجْرٍ إِنْ أَجْرِيَ إِلَّا عَلَى رَبِّ الْعَالَمِينَ ﴿١٢٧﴾
26/Ash-Shu'ara-127: Wama as-alukum AAalayhi min ajrin in ajriya illa AAala rabbi alAAalameena
En ik vraag jullie er geen beloning voor, want mijn beloning berust alleen bij de Heer der Werelden. (127)
أَتَبْنُونَ بِكُلِّ رِيعٍ آيَةً تَعْبَثُونَ ﴿١٢٨﴾
26/Ash-Shu'ara-128: Atabnoona bikulli reeAAin ayatan taAAbathoona
Zouden jullie op elke heuvel een gebouw bouwen om jullie te vermaken? (128)
وَتَتَّخِذُونَ مَصَانِعَ لَعَلَّكُمْ تَخْلُدُونَ ﴿١٢٩﴾
26/Ash-Shu'ara-129: Watattakhithoona masaniAAa laAAallakum takhludoona
En bouwen jullie paleizen in de hoop dat jullie eeuwig leven? (129)
وَإِذَا بَطَشْتُم بَطَشْتُمْ جَبَّارِينَ ﴿١٣٠﴾
26/Ash-Shu'ara-130: Wa-itha batashtum batashtum jabbareena
En als jullie toeslaan, slaan jullie toe als geweldenaars. (130)
فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطِيعُونِ ﴿١٣١﴾
26/Ash-Shu'ara-131: Faittaqoo Allaha waateeAAooni
Vreest daarom Allah en gehoorzaamt mij. (131)
وَاتَّقُوا الَّذِي أَمَدَّكُم بِمَا تَعْلَمُونَ ﴿١٣٢﴾
26/Ash-Shu'ara-132: Waittaqoo allathee amaddakum bima taAAlamoona
En vrom Hem Die jullie dat geschonken heeft waarover jullie weten. (132)
أَمَدَّكُم بِأَنْعَامٍ وَبَنِينَ ﴿١٣٣﴾
26/Ash-Shu'ara-133: Amaddakum bi-anAAamin wabaneena
En Hij Die jullie vee en zonen schenkt. (133)
وَجَنَّاتٍ وَعُيُونٍ ﴿١٣٤﴾
26/Ash-Shu'ara-134: Wajannatin waAAuyoonin
En tuinen en bronnen. (134)
إِنِّي أَخَافُ عَلَيْكُمْ عَذَابَ يَوْمٍ عَظِيمٍ ﴿١٣٥﴾
26/Ash-Shu'ara-135: Innee akhafu AAalaykum AAathaba yawmin AAatheemin
Voorwaar, ik vrees voor jullie een bestraffing op de geweldige Dag." (135)
قَالُوا سَوَاء عَلَيْنَا أَوَعَظْتَ أَمْ لَمْ تَكُن مِّنَ الْوَاعِظِينَ ﴿١٣٦﴾
26/Ash-Shu'ara-136: Qaloo sawaon AAalayna awaAAathta am lam takun mina alwaAAitheena
Zij zeiden: "Voor ons is het hetzelfde of jij ons waarschuwt of dat jij niet tot de waarschuwers behoort. (136)
إِنْ هَذَا إِلَّا خُلُقُ الْأَوَّلِينَ ﴿١٣٧﴾
26/Ash-Shu'ara-137: In hatha illa khuluqu al-awwaleena
Dit is slechts een gewoonte van de vroegeren. (137)
وَمَا نَحْنُ بِمُعَذَّبِينَ ﴿١٣٨﴾
26/Ash-Shu'ara-138: Wama nahnu bimuAAaththabeena
En wij zullen niet behoren tot hen die gestraft worden." (138)
فَكَذَّبُوهُ فَأَهْلَكْنَاهُمْ إِنَّ فِي ذَلِكَ لَآيَةً وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُم مُّؤْمِنِينَ ﴿١٣٩﴾
26/Ash-Shu'ara-139: Fakaththaboohu faahlaknahum inna fee thalika laayatan wama kana aktharuhum mu/mineena
Maar zij loochenden hem, dus vernietigden Wij hen. Voorwaar, daarin is zeker een Teken, maar de meesten van hen waren gew gelovigen. (139)
وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ الْعَزِيزُ الرَّحِيمُ ﴿١٤٠﴾
26/Ash-Shu'ara-140: Wa-inna rabbaka lahuwa alAAazeezu alrraheemu
En voorwaar, jouw Heer (O Moehammad) is zeker Hij, de Almachtige, de Meest Barmhartige. (140)
كَذَّبَتْ ثَمُودُ الْمُرْسَلِينَ ﴿١٤١﴾
26/Ash-Shu'ara-141: Kaththabat thamoodu almursaleena
Het volk van de Tsamôed loochende de Boodschappers. (141)
إِذْ قَالَ لَهُمْ أَخُوهُمْ صَالِحٌ أَلَا تَتَّقُونَ ﴿١٤٢﴾
26/Ash-Shu'ara-142: Ith qala lahum akhoohum salihun ala tattaqoona
(Gedenk) toen hun broeder Shâlih tot hen zei: "Vrezen jullie (Allah) niet? (142)
إِنِّي لَكُمْ رَسُولٌ أَمِينٌ ﴿١٤٣﴾
26/Ash-Shu'ara-143: Innee lakum rasoolun ameenun
Voorwaar, ik ben voor jullie een betrouwbare Boodschapper. (143)
فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطِيعُونِ ﴿١٤٤﴾
26/Ash-Shu'ara-144: Faittaqoo Allaha waateeAAooni
Vreest daarom Allah en gehoorzaamt mij. (144)
وَمَا أَسْأَلُكُمْ عَلَيْهِ مِنْ أَجْرٍ إِنْ أَجْرِيَ إِلَّا عَلَى رَبِّ الْعَالَمِينَ ﴿١٤٥﴾
26/Ash-Shu'ara-145: Wama as-alukum AAalayhi min ajrin in ajriya illa AAala rabbi alAAalameena
En ik vraag jullie er geen beloning voor, mijn beloning berust alleen bij de Heer der Werelden. (145)
أَتُتْرَكُونَ فِي مَا هَاهُنَا آمِنِينَ ﴿١٤٦﴾
26/Ash-Shu'ara-146: Atutrakoona fee ma hahuna amineena
Zullen jullie in veiligheid gelaten worden temidden van wat hier is? (146)
فِي جَنَّاتٍ وَعُيُونٍ ﴿١٤٧﴾
26/Ash-Shu'ara-147: Fee jannatin waAAuyoonin
Temidden van tuinen en bronnen. (147)
وَزُرُوعٍ وَنَخْلٍ طَلْعُهَا هَضِيمٌ ﴿١٤٨﴾
26/Ash-Shu'ara-148: WazurooAAin wanakhlin talAAuha hadeemun
En akkerland en dadelpalmen met tere trossen. (148)
وَتَنْحِتُونَ مِنَ الْجِبَالِ بُيُوتًا فَارِهِينَ ﴿١٤٩﴾
26/Ash-Shu'ara-149: Watanhitoona mina aljibali buyootan fariheena
En jullie houwen vaardig huizen uit in de bergen. (149)
فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطِيعُونِ ﴿١٥٠﴾
26/Ash-Shu'ara-150: Faittaqoo Allaha waateeAAooni
Vreest dan Allah en gehoorzaamt mij. (150)
وَلَا تُطِيعُوا أَمْرَ الْمُسْرِفِينَ ﴿١٥١﴾
26/Ash-Shu'ara-151: Wala tuteeAAoo amra almusrifeena
En geeft geen gehoor aan het bevel van de buitensporigen. (151)
الَّذِينَ يُفْسِدُونَ فِي الْأَرْضِ وَلَا يُصْلِحُونَ ﴿١٥٢﴾
26/Ash-Shu'ara-152: Allatheena yufsidoona fee al-ardi wala yuslihoona
Degenen die verderf zaaien op de aarde en zich niet beteren." (152)
قَالُوا إِنَّمَا أَنتَ مِنَ الْمُسَحَّرِينَ ﴿١٥٣﴾
26/Ash-Shu'ara-153: Qaloo innama anta mina almusahhareena
Zij zeiden: "Voorwaar, jij behoort tot de betoverden. (153)
مَا أَنتَ إِلَّا بَشَرٌ مِّثْلُنَا فَأْتِ بِآيَةٍ إِن كُنتَ مِنَ الصَّادِقِينَ ﴿١٥٤﴾
26/Ash-Shu'ara-154: Ma anta illa basharun mithluna fa/ti bi-ayatin in kunta mina alssadiqeena
Jij bent slechts een mens zoals wij. Breng daarom een Teken als jij tot de waarachtigen behoort." (154)
قَالَ هَذِهِ نَاقَةٌ لَّهَا شِرْبٌ وَلَكُمْ شِرْبُ يَوْمٍ مَّعْلُومٍ ﴿١٥٥﴾
26/Ash-Shu'ara-155: Qala hathihi naqatun laha shirbun walakum shirbu yawmin maAAloomin
Hij (Shâlih) zei: "Dit is een vrouwtjeskameel, zij heeft recht om te drinken en jullie hebben recht om te drinken, (ieder) op een vastgestelde dag. (155)
وَلَا تَمَسُّوهَا بِسُوءٍ فَيَأْخُذَكُمْ عَذَابُ يَوْمٍ عَظِيمٍ ﴿١٥٦﴾
26/Ash-Shu'ara-156: Wala tamassooha bisoo-in faya/khuthakum AAathabu yawmin AAatheemin
En treft haar niet met kwaad, want dan zal de straf van een Geweldige Dag jullie treffen. (156)
فَعَقَرُوهَا فَأَصْبَحُوا نَادِمِينَ ﴿١٥٧﴾
26/Ash-Shu'ara-157: FaAAaqarooha faasbahoo nadimeena
Toen slachtten zij haar, daarna werden zij berouwvollen. (157)
فَأَخَذَهُمُ الْعَذَابُ إِنَّ فِي ذَلِكَ لَآيَةً وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُم مُّؤْمِنِينَ ﴿١٥٨﴾
26/Ash-Shu'ara-158: Faakhathahumu alAAathabu inna fee thalika laayatan wama kana aktharuhum mu/mineena
Toen trof de bestraffing hen. Voorwaar, daarin is zeker een Teken, maar de meesten van hen zijn geen gelovigen. (158)
وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ الْعَزِيزُ الرَّحِيمُ ﴿١٥٩﴾
26/Ash-Shu'ara-159: Wa-inna rabbaka lahuwa alAAazeezu alrraheemu
En voorwaar, jouw Heer (O Moehammad) is zeker Hij, de Almachtige, de Meest Barmhartige. (159)
كَذَّبَتْ قَوْمُ لُوطٍ الْمُرْسَلِينَ ﴿١٦٠﴾
26/Ash-Shu'ara-160: Kaththabat qawmu lootin almursaleena
Het volk van Lôeth loochende de Boodschappers. (160)
إِذْ قَالَ لَهُمْ أَخُوهُمْ لُوطٌ أَلَا تَتَّقُونَ ﴿١٦١﴾
26/Ash-Shu'ara-161: Ith qala lahum akhoohum lootun ala tattaqoona
(Gedenk) toen hun broeder Lôeth tot hen zei: "Vrezen jullie (Allah) niet? (161)
إِنِّي لَكُمْ رَسُولٌ أَمِينٌ ﴿١٦٢﴾
26/Ash-Shu'ara-162: Innee lakum rasoolun ameenun
Voorwaar, ik ben voor jullie een betrouwbare Boodschapper. (162)
فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطِيعُونِ ﴿١٦٣﴾
26/Ash-Shu'ara-163: Faittaqoo Allaha waateeAAooni
Vreest daarom Allah en gehoorzaamt mij. (163)
وَمَا أَسْأَلُكُمْ عَلَيْهِ مِنْ أَجْرٍ إِنْ أَجْرِيَ إِلَّا عَلَى رَبِّ الْعَالَمِينَ ﴿١٦٤﴾
26/Ash-Shu'ara-164: Wama as-alukum AAalayhi min ajrin in ajriya illa AAala rabbi alAAalameena
En ik vraag jullie er geen beloning voor, want mijn beloning berust alleen bij de Heer der Werelden. (164)
أَتَأْتُونَ الذُّكْرَانَ مِنَ الْعَالَمِينَ ﴿١٦٥﴾
26/Ash-Shu'ara-165: Ata/toona alththukrana mina alAAalameena
Waarom benaderen jullie van de wereldbcwoners de mannen? (165)
وَتَذَرُونَ مَا خَلَقَ لَكُمْ رَبُّكُمْ مِنْ أَزْوَاجِكُم بَلْ أَنتُمْ قَوْمٌ عَادُونَ ﴿١٦٦﴾
26/Ash-Shu'ara-166: Watatharoona ma khalaqa lakum rabbukum min azwajikum bal antum qawmun AAadoona
En verlaten jullie hen die jullie Heer als echtgenotes geschapen heeft? Jullie zijn beslist een overtredend volk!" (166)
قَالُوا لَئِن لَّمْ تَنتَهِ يَا لُوطُ لَتَكُونَنَّ مِنَ الْمُخْرَجِينَ ﴿١٦٧﴾
26/Ash-Shu'ara-167: Qaloo la-in lam tantahi ya lootu latakoonanna mina almukhrajeena
Zij zeiden: "O Lôeth, als jij er niet mee ophoudt, behoor jij tot de verdrevenen." (167)
قَالَ إِنِّي لِعَمَلِكُم مِّنَ الْقَالِينَ ﴿١٦٨﴾
26/Ash-Shu'ara-168: Qala innee liAAamalikum mina alqaleena
Hij in zei: "Voorwaar, ik behoor tot hen die jullie daden verachten. (168)
رَبِّ نَجِّنِي وَأَهْلِي مِمَّا يَعْمَلُونَ ﴿١٦٩﴾
26/Ash-Shu'ara-169: Rabbi najjinee waahlee mimma yaAAmaloona
Mijn Heer, red mij en mijn familie van wat zij doen." (169)
فَنَجَّيْنَاهُ وَأَهْلَهُ أَجْمَعِينَ ﴿١٧٠﴾
26/Ash-Shu'ara-170: Fanajjaynahu waahlahu ajmaAAeena
En Wij hebben hem en zijn familie allen gered. (170)
إِلَّا عَجُوزًا فِي الْغَابِرِينَ ﴿١٧١﴾
26/Ash-Shu'ara-171: Illa AAajoozan fee alghabireena
Behalve een oude vrouw onder de achterblijvers. (171)
ثُمَّ دَمَّرْنَا الْآخَرِينَ ﴿١٧٢﴾
26/Ash-Shu'ara-172: Thumma dammarna al-akhareena
Toen vernietigden Wij de anderen. (172)
وَأَمْطَرْنَا عَلَيْهِم مَّطَرًا فَسَاء مَطَرُ الْمُنذَرِينَ ﴿١٧٣﴾
26/Ash-Shu'ara-173: Waamtarna AAalayhim mataran fasaa mataru almunthareena
En Wij deden een (vulkanische) regen op hen neerstromen, hoe slecht was de regen voor de gewaarschuwden! (173)
إِنَّ فِي ذَلِكَ لَآيَةً وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُم مُّؤْمِنِينَ ﴿١٧٤﴾
26/Ash-Shu'ara-174: Inna fee thalika laayatan wama kana aktharuhum mu/mineena
Voorwaar, daarin is zeker een Teken, maar de meesten van hen zijn geen gelovigen. (174)
وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ الْعَزِيزُ الرَّحِيمُ ﴿١٧٥﴾
26/Ash-Shu'ara-175: Wa-inna rabbaka lahuwa alAAazeezu alrraheemu
En voorwaar, jouw Heer (O Moehammad), is zeker Hij, de Almachtige, de Meest Bamhartige. (175)
كَذَّبَ أَصْحَابُ الْأَيْكَةِ الْمُرْسَلِينَ ﴿١٧٦﴾
26/Ash-Shu'ara-176: Kaththaba as-habu al-aykati almursaleena
De bewoners van Aikah loochenden de Boodschappers. (176)
إِذْ قَالَ لَهُمْ شُعَيْبٌ أَلَا تَتَّقُونَ ﴿١٧٧﴾
26/Ash-Shu'ara-177: Ith qala lahum shuAAaybun ala tattaqoona
(Gedenk) toen Sjoe'aib tot hen zei: "Vrezen jullie (Allah) niet? (177)
إِنِّي لَكُمْ رَسُولٌ أَمِينٌ ﴿١٧٨﴾
26/Ash-Shu'ara-178: Innee lakum rasoolun ameenun
Voorwaar, ik ben voor jullie een betrouwbare Boodschapper. (178)
فَاتَّقُوا اللَّهَ وَأَطِيعُونِ ﴿١٧٩﴾
26/Ash-Shu'ara-179: Faittaqoo Allaha waateeAAooni
Vreest daarom Allah en gehoorzaamt mij. (179)
وَمَا أَسْأَلُكُمْ عَلَيْهِ مِنْ أَجْرٍ إِنْ أَجْرِيَ إِلَّا عَلَى رَبِّ الْعَالَمِينَ ﴿١٨٠﴾
26/Ash-Shu'ara-180: Wama as-alukum AAalayhi min ajrin in ajriya illa AAala rabbi alAAalameena
En ik vraag jullie er geen beloning voor, mijn beloning berust slechts bij de Heer der Werelden. (180)
أَوْفُوا الْكَيْلَ وَلَا تَكُونُوا مِنَ الْمُخْسِرِينَ ﴿١٨١﴾
26/Ash-Shu'ara-181: Awfoo alkayla wala takoonoo mina almukhsireena
En geeft de volle maat een behoort niet tot hen die tekort doen. (181)
وَزِنُوا بِالْقِسْطَاسِ الْمُسْتَقِيمِ ﴿١٨٢﴾
26/Ash-Shu'ara-182: Wazinoo bialqistasi almustaqeemi
En weegt met juiste weegschalen. (182)
وَلَا تَبْخَسُوا النَّاسَ أَشْيَاءهُمْ وَلَا تَعْثَوْا فِي الْأَرْضِ مُفْسِدِينَ ﴿١٨٣﴾
26/Ash-Shu'ara-183: Wala tabkhasoo alnnasa ashyaahum wala taAAthaw fee al-ardi mufsideena
En benadeelt niet de mensen in hun zaken en verricht geen kwaad op aarde, als verderfzaaiers. (183)
وَاتَّقُوا الَّذِي خَلَقَكُمْ وَالْجِبِلَّةَ الْأَوَّلِينَ ﴿١٨٤﴾
26/Ash-Shu'ara-184: Waittaqoo allathee khalaqakum waaljibillata al-awwaleena
En vreest Degene Die jullie en de vroegere generaties geschapen heeft." (184)
قَالُوا إِنَّمَا أَنتَ مِنَ الْمُسَحَّرِينَ ﴿١٨٥﴾
26/Ash-Shu'ara-185: Qaloo innama anta mina almusahhareena
Zij zeiden: "Voorwaar, jij behoort slechts tot de betoverden. (185)
وَمَا أَنتَ إِلَّا بَشَرٌ مِّثْلُنَا وَإِن نَّظُنُّكَ لَمِنَ الْكَاذِبِينَ ﴿١٨٦﴾
26/Ash-Shu'ara-186: Wama anta illa basharun mithluna wa-in nathunnuka lamina alkathibeena
En jij bent slechts een mens als wij ein wij vinden dat jij zeker tot de leugenaars behoort. (186)
فَأَسْقِطْ عَلَيْنَا كِسَفًا مِّنَ السَّمَاء إِن كُنتَ مِنَ الصَّادِقِينَ ﴿١٨٧﴾
26/Ash-Shu'ara-187: Faasqit AAalayna kisafan mina alssama-i in kunta mina alssadiqeena
Laat dan eens een stuk van de hemel op ons vallen, als jij tot de waarachtigen behoort." (187)
قَالَ رَبِّي أَعْلَمُ بِمَا تَعْمَلُونَ ﴿١٨٨﴾
26/Ash-Shu'ara-188: Qala rabbee aAAlamu bima taAAmaloona
Hij zei: "Mijn Heer weet het beste wat jullie doen." (188)
فَكَذَّبُوهُ فَأَخَذَهُمْ عَذَابُ يَوْمِ الظُّلَّةِ إِنَّهُ كَانَ عَذَابَ يَوْمٍ عَظِيمٍ ﴿١٨٩﴾
26/Ash-Shu'ara-189: Fakaththaboohu faakhathahum AAathabu yawmi alththullati innahu kana AAathaba yawmin AAatheemin
Maar zij loochenden hem, waarop een bestraffing hen trofop een zwaarbewolkte dag. Voorwaar, het was een bestraffing van een geweldige dag. (189)
إِنَّ فِي ذَلِكَ لَآيَةً وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُم مُّؤْمِنِينَ ﴿١٩٠﴾
26/Ash-Shu'ara-190: Inna fee thalika laayatan wama kana aktharuhum mu/mineena
Voorwaar, daarin is zeker een Teken, maar de meesten van ben zijn geen gelovigen. (190)
وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ الْعَزِيزُ الرَّحِيمُ ﴿١٩١﴾
26/Ash-Shu'ara-191: Wa-inna rabbaka lahuwa alAAazeezu alrraheemu
En voorwaar, jouw Heer (O Moehammad) is zeker Hij, de Almachtige, de Meest Bamhartige. (191)
وَإِنَّهُ لَتَنزِيلُ رَبِّ الْعَالَمِينَ ﴿١٩٢﴾
26/Ash-Shu'ara-192: Wa-innahu latanzeelu rabbi alAAalameena
En voorwaar, hij (de Koran) is zeker een neerzending van de Heer der Werelden. (192)
نَزَلَ بِهِ الرُّوحُ الْأَمِينُ ﴿١٩٣﴾
26/Ash-Shu'ara-193: Nazala bihi alrroohu al-ameenu
Met hem (de Koran) daalde de getrouwe Geest (Djibrîl) neer. (193)
عَلَى قَلْبِكَ لِتَكُونَ مِنَ الْمُنذِرِينَ ﴿١٩٤﴾
26/Ash-Shu'ara-194: AAala qalbika litakoona mina almunthireena
Op jouw hart (O Moehammad), opdat jij tot de waarschuwers behoort. (194)
بِلِسَانٍ عَرَبِيٍّ مُّبِينٍ ﴿١٩٥﴾
26/Ash-Shu'ara-195: Bilisanin AAarabiyyin mubeenin
In een duidelijke Arabische taal. (195)
وَإِنَّهُ لَفِي زُبُرِ الْأَوَّلِينَ ﴿١٩٦﴾
26/Ash-Shu'ara-196: Wa-innahu lafee zuburi al-awwaleena
En voorwaar, hij (de Koran) is zeker (aangekondigd) in de Schriften van de vroegeren. (196)
أَوَلَمْ يَكُن لَّهُمْ آيَةً أَن يَعْلَمَهُ عُلَمَاء بَنِي إِسْرَائِيلَ ﴿١٩٧﴾
26/Ash-Shu'ara-197: Awa lam yakun lahum ayatan an yaAAlamahu AAulamao banee isra-eela
Is het voor hen dan geen teken dat de geleerden van de Kinderen van Israël hem kennen? (197)
وَلَوْ نَزَّلْنَاهُ عَلَى بَعْضِ الْأَعْجَمِينَ ﴿١٩٨﴾
26/Ash-Shu'ara-198: Walaw nazzalnahu AAala baAAdi al-aAAjameena
En als Wij hem am de niet-Arabieren hadden doen neerdalen. (198)
فَقَرَأَهُ عَلَيْهِم مَّا كَانُوا بِهِ مُؤْمِنِينَ ﴿١٩٩﴾
26/Ash-Shu'ara-199: Faqaraahu AAalayhim ma kanoo bihi mu/mineena
(En als) hij hem dan aan ben voorgedragen had, dan hadden zij er niet in geloofd. (199)
كَذَلِكَ سَلَكْنَاهُ فِي قُلُوبِ الْمُجْرِمِينَ ﴿٢٠٠﴾
26/Ash-Shu'ara-200: Kathalika salaknahu fee quloobi almujrimeena
Op deze wijze deden Wij hem binnendringen in de barten van de misdadigers. (200)
لَا يُؤْمِنُونَ بِهِ حَتَّى يَرَوُا الْعَذَابَ الْأَلِيمَ ﴿٢٠١﴾
26/Ash-Shu'ara-201: La yu/minoona bihi hatta yarawoo alAAathaba al-aleema
Zij zullen er niet in geloven totdat zij de pijnlijke bestraffing zien. (201)
فَيَأْتِيَهُم بَغْتَةً وَهُمْ لَا يَشْعُرُونَ ﴿٢٠٢﴾
26/Ash-Shu'ara-202: Faya/tiyahum baghtatan wahum la yashAAuroona
Die plotseling tot ben zal komen, terwijl zij het niet beseffen. (202)
فَيَقُولُوا هَلْ نَحْنُ مُنظَرُونَ ﴿٢٠٣﴾
26/Ash-Shu'ara-203: Fayaqooloo hal nahnu muntharoona
Dan zeggen zij: "Krijgen wij uitstel?" (203)
أَفَبِعَذَابِنَا يَسْتَعْجِلُونَ ﴿٢٠٤﴾
26/Ash-Shu'ara-204: AfabiAAathabina yastaAAjiloona
Vragen zij dan dat Onze bestraffing bespoedigd wordt? (204)
أَفَرَأَيْتَ إِن مَّتَّعْنَاهُمْ سِنِينَ ﴿٢٠٥﴾
26/Ash-Shu'ara-205: Afaraayta in mattaAAnahum sineena
Wat denk jij dan, als Wij hun (enige) jaren laten genieten? (205)
ثُمَّ جَاءهُم مَّا كَانُوا يُوعَدُونَ ﴿٢٠٦﴾
26/Ash-Shu'ara-206: Thumma jaahum ma kanoo yooAAadoona
En daarop tot hen komt wat beloofd was? (206)
مَا أَغْنَى عَنْهُم مَّا كَانُوا يُمَتَّعُونَ ﴿٢٠٧﴾
26/Ash-Shu'ara-207: Ma aghna AAanhum ma kanoo yumattaAAoona
Het zal hun niet baten, wat hun aan genot gegeven was. (207)
وَمَا أَهْلَكْنَا مِن قَرْيَةٍ إِلَّا لَهَا مُنذِرُونَ ﴿٢٠٨﴾
26/Ash-Shu'ara-208: Wama ahlakna min qaryatin illa laha munthiroona
En Wij hebben geen stad vernietigd zonder dat er voor haar waarschuwers waren geweest. (208)
ذِكْرَى وَمَا كُنَّا ظَالِمِينَ ﴿٢٠٩﴾
26/Ash-Shu'ara-209: Thikra wama kunna thalimeena
Als een waarschuwing: en Wij weren geen onrechtvaardigen. (209)
وَمَا تَنَزَّلَتْ بِهِ الشَّيَاطِينُ ﴿٢١٠﴾
26/Ash-Shu'ara-210: Wama tanazzalat bihi alshshayateenu
En hij (de Koran) is niet door de Satans neergedaald. (210)
وَمَا يَنبَغِي لَهُمْ وَمَا يَسْتَطِيعُونَ ﴿٢١١﴾
26/Ash-Shu'ara-211: Wama yanbaghee lahum wama yastateeAAoona
Het past hun niet en zij zijn er niet toe in staat. (211)
إِنَّهُمْ عَنِ السَّمْعِ لَمَعْزُولُونَ ﴿٢١٢﴾
26/Ash-Shu'ara-212: Innahum AAani alssamAAi lamaAAzooloona
Voorwaar, van het horen (ervan) zijn zij zeker buitengesloten. (212)
فَلَا تَدْعُ مَعَ اللَّهِ إِلَهًا آخَرَ فَتَكُونَ مِنَ الْمُعَذَّبِينَ ﴿٢١٣﴾
26/Ash-Shu'ara-213: Fala tadAAu maAAa Allahi ilahan akhara fatakoona mina almuAAaththabeena
Roept dus geen andere goden naast Allah aan, anders zal jij tot de bestraften behoren. (213)
وَأَنذِرْ عَشِيرَتَكَ الْأَقْرَبِينَ ﴿٢١٤﴾
26/Ash-Shu'ara-214: Waanthir AAasheerataka al-aqrabeena
En waarschuw jouw naaste familieleden. (214)
وَاخْفِضْ جَنَاحَكَ لِمَنِ اتَّبَعَكَ مِنَ الْمُؤْمِنِينَ ﴿٢١٥﴾
26/Ash-Shu'ara-215: Waikhfid janahaka limani ittabaAAaka mina almu/mineena
En wees bescheiden eva nederig tegenover de gelovigen die jou volgen. (215)
فَإِنْ عَصَوْكَ فَقُلْ إِنِّي بَرِيءٌ مِّمَّا تَعْمَلُونَ ﴿٢١٦﴾
26/Ash-Shu'ara-216: Fa-in AAasawka faqul innee baree-on mimma taAAmaloona
En als zij jou dan ongehoorzam zijn, zeg dan: "Ik ben onschuldig aan wat jullie doen." (216)
وَتَوَكَّلْ عَلَى الْعَزِيزِ الرَّحِيمِ ﴿٢١٧﴾
26/Ash-Shu'ara-217: Watawakkal AAala alAAazeezi alrraheemi
En vertrouw op de Almachtige, de Meest Barmhartige. (217)
الَّذِي يَرَاكَ حِينَ تَقُومُ ﴿٢١٨﴾
26/Ash-Shu'ara-218: Allathee yaraka heena taqoomu
Degene Die jou ziet als jij staat (te bidden). (218)
وَتَقَلُّبَكَ فِي السَّاجِدِينَ ﴿٢١٩﴾
26/Ash-Shu'ara-219: Wataqallubaka fee alssajideena
En jouw bewegingen (ziet) onder de knielenden. (219)
إِنَّهُ هُوَ السَّمِيعُ الْعَلِيمُ ﴿٢٢٠﴾
26/Ash-Shu'ara-220: Innahu huwa alssameeAAu alAAaleemu
Voorwaar, Hij is de Alhorende, de Alwetende. (220)
هَلْ أُنَبِّئُكُمْ عَلَى مَن تَنَزَّلُ الشَّيَاطِينُ ﴿٢٢١﴾
26/Ash-Shu'ara-221: Hal onabbi-okum AAala man tanazzalu alshshayateenu
Zal ik jou vertellen tot wie de Satans neerdalen? (221)
تَنَزَّلُ عَلَى كُلِّ أَفَّاكٍ أَثِيمٍ ﴿٢٢٢﴾
26/Ash-Shu'ara-222: Tanazzalu AAala kulli affakin atheemin
Zij dalen neer tot elke zondige leugenaar. (222)
يُلْقُونَ السَّمْعَ وَأَكْثَرُهُمْ كَاذِبُونَ ﴿٢٢٣﴾
26/Ash-Shu'ara-223: Yulqoona alssamAAa waaktharuhum kathiboona
Zij luisteren nam het gesprokene en de meesten van hen zijn leugenaars. (223)
وَالشُّعَرَاء يَتَّبِعُهُمُ الْغَاوُونَ ﴿٢٢٤﴾
26/Ash-Shu'ara-224: WaalshshuAAarao yattabiAAuhumu alghawoona
En de dichters; de dwalenden volgen hen. (224)
أَلَمْ تَرَ أَنَّهُمْ فِي كُلِّ وَادٍ يَهِيمُونَ ﴿٢٢٥﴾
26/Ash-Shu'ara-225: Alam tara annahum fee kulli wadin yaheemoona
Zie jij niet dat zij rusteloos ronddwalen in iedere vallei? (225)
وَأَنَّهُمْ يَقُولُونَ مَا لَا يَفْعَلُونَ ﴿٢٢٦﴾
26/Ash-Shu'ara-226: Waannahum yaqooloona ma la yafAAaloona
En dat zij zeker zeggen wat zij niet doen? (226)
إِلَّا الَّذِينَ آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ وَذَكَرُوا اللَّهَ كَثِيرًا وَانتَصَرُوا مِن بَعْدِ مَا ظُلِمُوا وَسَيَعْلَمُ الَّذِينَ ظَلَمُوا أَيَّ مُنقَلَبٍ يَنقَلِبُونَ ﴿٢٢٧﴾
26/Ash-Shu'ara-227: Illa allatheena amanoo waAAamiloo alssalihati wathakaroo Allaha katheeran waintasaroo min baAAdi ma thulimoo wasayaAAlamu allatheena thalamoo ayya munqalabin yanqaliboona
Behalve degenen die geloven en goede daden verrichten en Allah vaak gedenken. En zij overwinnen nadat hun onrecht is aangedaan. En degenen die onrecht pleegden zullen spoedig weten tot welke plaats van terugkeer zij zullen terugkeren! (227)
Sponsor Links:
Vergelijk Koran vertalingen v2.0.noblequran.org Android App

Vergelijk Koran vertalingen v2.0

nl.noblequran.org Android AppVergelijk alle Nederlandse vertalingen van de Koran met Arabisch schrift en makkelijk te lezen Nederlandse transcriptie tekst. Android App voor nl.noblequran.org "Vergelijk Koran vertalingen" APP opent met Al-Fatiha-1. Veeg naar links-rechts voor vorige volgende verzen. Open Surah lijst met menu icoon (linksboven) naar een andere soera springen om te lezen. Open Ayat lijst met niveau icoon (rechtsboven) naar een ander vers te springen in deze soera. Meer informatie http://nl.noblequran.org/