Nederlands [Veranderen]

Al-Mujadilah-8, Soera De Vrouw die pleitte Verset-8

58/Al-Mujadilah-8 - Koran recitatie door Abu Bakr al Shatri
volgende
vorig
share on facebook  tweet  share on google  print  
8

Al-Mujadilah-8, Soera De Vrouw die pleitte Verset-8

Vergelijk alle Nederlandse vertalingen van Surah Al-Mujadilah - vers 8

سورة الـمجادلـة

Soera Al-Mujadilah

Bismi Allahi alrrahmani alrraheemi

أَلَمْ تَرَ إِلَى الَّذِينَ نُهُوا عَنِ النَّجْوَى ثُمَّ يَعُودُونَ لِمَا نُهُوا عَنْهُ وَيَتَنَاجَوْنَ بِالْإِثْمِ وَالْعُدْوَانِ وَمَعْصِيَتِ الرَّسُولِ وَإِذَا جَاؤُوكَ حَيَّوْكَ بِمَا لَمْ يُحَيِّكَ بِهِ اللَّهُ وَيَقُولُونَ فِي أَنفُسِهِمْ لَوْلَا يُعَذِّبُنَا اللَّهُ بِمَا نَقُولُ حَسْبُهُمْ جَهَنَّمُ يَصْلَوْنَهَا فَبِئْسَ الْمَصِيرُ ﴿٨﴾
58/Al-Mujadilah-8: Alam tara ila allatheena nuhoo AAani alnnajwa thumma yaAAoodoona lima nuhoo AAanhu wayatanajawna bial-ithmi waalAAudwani wamaAAsiyati alrrasooli wa-itha jaooka hayyawka bima lam yuhayyika bihi Allahu wayaqooloona fee anfusihim lawla yuAAaththibuna Allahu

Sofian S. Siregar

Zie jij degenen niet die het geheime gesprek verboden werd? Daarop vervielen zij tot dat wat hun verboden werd. En zij voerden geheime gesprekken omwille van zonde, vijandigheid en opstand tegen de Boodschapper. En wanneer zij tot jou kwamen, begroetten zij jou niet met de woorden waarmee Allah jou begroet, en zij zeggen onder elkaar: "Had Allah ons maar bestraft voor wat wij zeiden." De Hel is voldoende voor hen. Daarin zullen zij branden. En dat is de slechtste plaats van terugkeer!

Fred Leemhuis

Heb jij dan niet gezien naar hen aan wie het verboden was vertrouwelijke gesprekken te voeren en die dan terugkeren tot wat hun verboden was en dat zij vertrouwelijke gesprekken houden over zonde, overtreding en ongehoorzaamheid aan de gezant? En als jij bij hen komt groeten zij jou zoals God jou niet groet en zij zeggen bij zichzelf: "Als God ons maar niet bestraft voor wat wij zeggen." Voor hen is de hel goed genoeg, waarin zij zullen braden en dat is pas een slechte bestemming!

Salomo Keyzer

Hebt gij degenen niet opgemerkt, aan wie het ontzegd werd, verboden gesprekken te voeren, maar die nochtans terugkeerden tot hetgeen hun was verboden, en heimelijk onder elkander van zonde spraken en van vijandschap en van ongehoorzaamheid nopens den gezant? En als zij tot u komen, begroeten zij u met een groet, waarmede God u niet begroet, en zij zeggen spottenderwijze tot elkander: Zou God ons niet straffen voor hetgeen wij zeggen, indien deze man een profeet ware? De hel zal eene toereikende straf voor hen zijn; zij zullen die binnengaan om verbrand te worden, en dat zal een ongelukkig verblijf wezen.
8